ECLI:NL:RVS:2013:BZ8732
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende bewijs uitzonderlijke situatie in Afghanistan
De vreemdeling verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister van Justitie op 1 oktober 2010 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de minister in hoger beroep ging.
De kern van het geschil betrof de vraag of de vreemdeling aanspraak kon maken op bescherming op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vreemdelingenwet 2000, vanwege de situatie in de provincie Uruzgan in Afghanistan. De vreemdeling stelde dat de mate van willekeurig geweld dermate hoog was dat hij louter door zijn aanwezigheid een reëel risico liep.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zich een dergelijke uitzonderlijke situatie voordeed. De overgelegde rapporten en ambtsberichten boden geen steun voor het bestaan van een situatie die bescherming rechtvaardigt. Ook werd geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte een nieuw asielmotief, de bekering tot het christendom, had betrokken bij haar beoordeling.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van een uitzonderlijke situatie die bescherming rechtvaardigt.