ECLI:NL:RVS:2013:BZ9018
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.W.M. Bijloos
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring en beoordeling rechtmatigheid staandehouding en inbewaringstelling
De vreemdeling werd op 28 februari 2013 in vreemdelingenbewaring gesteld wegens verdenking van overtreding van artikel 447e Sr en overtreding van de APV Amsterdam. De rechtbank had het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en de bewaring opgeheven, met toekenning van schadevergoeding.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en voerde aan dat de staandehouding rechtmatig was omdat deze plaatsvond in het kader van algemene politietaken en niet uitsluitend op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De Afdeling oordeelde dat uit het proces-verbaal blijkt dat de legitimatiecontrole niet op grond van de Vw 2000 plaatsvond, zodat de vreemdelingenrechter hierover niet mocht oordelen. De grief van de staatssecretaris slaagde.
De Afdeling beoordeelde vervolgens de inbewaringstelling inhoudelijk. De vreemdeling voerde aan dat zij rechtmatig in Nederland verbleef en traceerbaar was, maar erkende geen vaste woon- of verblijfplaats te hebben en onvoldoende middelen van bestaan. De Afdeling vond dat deze omstandigheden voldoende waren voor de maatregel van bewaring en dat geen minder ingrijpende maatregel passend was.
Ook het verwijt van onvoldoende voortvarendheid bij het aanvragen van een laissez passer werd verworpen. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de inbewaringstelling blijft in stand.