ECLI:NL:RVS:2013:BZ9045
Raad van State
- Hoger beroep
- J.A. Hagen
- D.J.C. van den Broek
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verwijderingsbevel wegens dealeroverlast in Amsterdam
De burgemeester van Amsterdam gaf appellant op grond van artikel 2.9A van de Algemene plaatselijke verordening (Apv) een bevel om zich uit het dealeroverlastgebied DOG 1.1 te verwijderen en zich gedurende drie maanden niet in dat gebied te bevinden. Dit verwijderingsbevel volgde op een overtreding van artikel 2.7, tweede lid, van de Apv, waarbij appellant zich ophield met het doel drugs te koop aan te bieden, en op eerdere antecedenten.
Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat hij de Apv had overtreden, omdat het oordeel slechts was gebaseerd op de verklaring van een verbalisant, er geen drugs waren aangetroffen en de strafzaak was geseponeerd. De Raad van State oordeelde echter dat de verklaring van de verbalisant, ondersteund door bevestiging van toeristen, voldoende bewijs vormde. Het ontbreken van aangetroffen drugs en de seponering van de strafzaak deden hieraan niet af.
Verder voerde appellant aan dat het drie maanden durende verwijderingsbevel disproportioneel was en dat een lichtere maatregel op grond van artikel 2.9 van de Apv passend zou zijn. De Raad van State stelde vast dat artikel 2.9A specifiek is ingevoerd voor recidiverende overtreders en dat appellant al eerder een 24-uurs verbod had gekregen zonder effect. De belangenafweging van de burgemeester, waaronder het ontbreken van woon- of werkverkeer, maakte het bevel proportioneel.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het verwijderingsbevel van drie maanden tegen appellant wegens dealeroverlast wordt bevestigd.