ECLI:NL:RVS:2013:BZ9733
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen intrekking verblijfsvergunning asiel Irak
De minister voor Immigratie en Asiel trok bij besluit van 23 december 2010 de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling in. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de minister hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De vreemdeling vreesde vervolging door familieleden in Irak, onder meer vanwege een conflict met een persoon die door de politie werd gedood, en bedreigingen van haar biologische vader. De staatssecretaris stelde dat het relaas van de vreemdeling onvoldoende geloofwaardig was, mede vanwege het overleggen van valse documenten en tegenstrijdigheden in haar verklaringen.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt kon stellen dat het relaas van de vreemdeling niet de vereiste positieve overtuigingskracht had. Ook werd vastgesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat zij in Irak een reëel risico liep op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. Het beroep van de vreemdeling werd daarom ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.