ECLI:NL:RVS:2013:CA0620
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat geen objectieve belemmering bestaat voor gezinsleven vreemdeling in Kosovo en Albanië
De minister voor Immigratie en Asiel wees de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen. De minister, thans staatssecretaris, stelde hoger beroep in.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet had onderkend dat de staatssecretaris deugdelijk had gemotiveerd dat geen objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Kosovo uit te oefenen, mede omdat referente na 2004 meerdere keren naar Kosovo was teruggekeerd en er behandelmogelijkheden voor haar ptss zijn.
Voorts werd geoordeeld dat de staatssecretaris terecht stelde dat geen objectieve belemmering bestaat voor het gezinsleven in Albanië, en dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro niet snel in het voordeel van de vreemdeling uitvalt zonder objectieve belemmering.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de voorzieningenrechter en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.