ECLI:NL:RVS:2013:CA1299
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid terugkeerbesluit en inreisverbod vreemdeling met minderjarig Nederlands kind
De staatssecretaris heeft op 1 februari 2013 een vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, een inreisverbod opgelegd en de vreemdeling in bewaring gesteld. De rechtbank verklaarde deze besluiten onrechtmatig en kende schadevergoeding toe. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank ten onrechte bij de toetsing van de bewaring ook een oordeel gaf over een reguliere aanvraagprocedure, hetgeen niet verenigbaar is met het stelsel van de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring was derhalve rechtmatig. Tevens werd vastgesteld dat het terugkeerbesluit van 31 oktober 2011 rechtsgeldig is en dat het besluit van 1 februari 2013 geen ander rechtsgevolg heeft dan het eerdere terugkeerbesluit.
Verder oordeelt de Afdeling dat het inreisverbod, hoewel inmenging in het familie- en gezinsleven van de vreemdeling met een minderjarig Nederlands kind inhoudt, niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro, omdat een fair balance is gevonden tussen het algemeen belang en het persoonlijke belang van de vreemdeling. Ook is het beroep op artikel 24 van Pro het Handvest niet geslaagd, omdat de staatssecretaris voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van het kind.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep tegen het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk verklaard en de overige beroepen ongegrond. Er wordt geen schadevergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep tegen het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk verklaard en de overige beroepen ongegrond.