ECLI:NL:RVS:2013:CA1999

Raad van State

Datum uitspraak
30 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
201205649/3/A1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • N.D.T. Pieters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:87 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing voorlopige voorziening bouwvergunning wijziging functie pand

Het college van burgemeester en wethouders van Groningen verleende op 23 november 2010 een bouwvergunning aan verzoekster voor het vergroten van een pand en het wijzigen van de functie van magazijn naar wonen. Wederpartij maakte bezwaar tegen deze vergunning, dat door het college werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van wederpartij ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Raad van State. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State had bij voorlopige voorziening de besluiten van het college geschorst.

In een tussenuitspraak op 27 februari 2013 werd het college opgedragen de gebreken in het besluit te herstellen, met name de motivering omtrent de strijd met het bestemmingsplan "Binnenstad 1995". Het college motiveerde dit nader in een brief van 12 april 2013, waarin werd gesteld dat het bouwplan niet geheel past binnen het bestemmingsplan, maar wel passend wordt geacht in de omgeving.

Verzoekster vroeg daarop om opheffing van de voorlopige voorziening. De voorzitter oordeelde echter dat, ondanks de nadere motivering, het besluit niet onverkort in stand zal blijven en dat er geen aanleiding was om de voorlopige voorziening op te heffen. Tevens werd geen proceskostenveroordeling toegewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

201205649/3/A1.
Datum uitspraak: 30 mei 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoekster], gevestigd te Boornbergum, gemeente Smallingerland, om opheffing (artikel 8:87 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) van de bij uitspraak van 15 november 2012 in zaak nr. 201205649/2/A1 getroffen voorlopige voorziening, hangende het hoger beroep van:
[wederpartij A] en [wederpartij B], beiden wonend te Groningen (hierna tezamen in enkelvoud: [wederpartij]),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 24 april 2012 in zaak nr. 11/815 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
het college van burgemeester en wethouders van Groningen.
Procesverloop
Bij besluit van 23 november 2010 heeft het college aan [verzoekster] bouwvergunning verleend voor het vergroten van het pand op het perceel [locatie] te Groningen en het wijzigen van de functie ervan van magazijn naar wonen.
Bij besluit van 27 juni 2011 heeft het het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 april 2012 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [wederpartij] hoger beroep ingesteld. Hij heeft voorts de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 15 november 2012 in zaak nr. 201205649/2/A1 heeft de voorzitter de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Groningen van 23 november 2010 en 27 juni 2011, kenmerk DI 11.2643982 bij wijze van voorlopige voorziening geschorst.
Bij tussenuitspraak van 27 februari 2013 in zaak nr. 201205649/1/T1/A1 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen 12 weken de daarin omschreven gebreken van het in beroep bestreden besluit te herstellen.
Bij brief van 12 april 2013 heeft het college het besluit van 27 juni 2011 nader gemotiveerd.
[verzoekster] heeft verzocht om opheffing van de bij uitspraak van 15 november 2012 getroffen voorlopige voorziening.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 mei 2013, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. M.A. Jansen, advocaat te Leeuwarden, en [wederpartij A] en [wederpartij B] in persoon zijn verschenen.
Overwegingen
1. In de tussenuitspraak van 27 februari 2013 heeft de Afdeling overwogen dat het besluit van 27 juni 2011 een deugdelijke motivering ontbeert en het college opgedragen zijn oordeel dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan "Binnenstad 1995" nader te motiveren. Indien het tot de conclusie komt dat het bouwplan wel met het bestemmingsplan in strijd is, dient het te onderzoeken of aanleiding wordt gezien om planologische medewerking te verlenen.
2. Het college heeft zich in de brief van 12 april 2013 op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet geheel in het bestemmingsplan past, maar goed past in de omgeving en het college positief staat tegenover dit bouwplan. Nu het, ondanks de geconstateerde strijd met het bestemmingsplan, evenwel aldus naar voorlopig oordeel niet heeft besloten tot planologische medewerking, bestaat geen grond om aan te nemen dat het besluit van 27 juni 2011, zoals aangevuld bij brief van 12 april 2013, onverkort in stand zal blijven. Onder deze omstandigheden bestaat, gelet op de betrokken belangen, geen aanleiding om de getroffen voorlopige voorziening op te heffen, als verzocht.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek om opheffing van de getroffen voorlopige voorziening af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.
w.g. Loeb w.g. Pieters
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2013
473.