ECLI:NL:RVS:2013:CA2848
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid afwijzing verblijfsvergunning wegens ontbreken geldige machtiging voorlopig verblijf
De minister voor Immigratie en Asiel heeft een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'medische behandeling' afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De vreemdeling had uitstel van vertrek gekregen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, maar niet gedurende een onafgebroken periode van een jaar direct voorafgaand aan de aanvraag. De rechtbank had het besluit vernietigd omdat het niet tijdig beslissen op verzoeken tot uitstel van vertrek tot verblijfsgaten leidde die niet aan de vreemdeling mochten worden toegerekend.
De staatssecretaris stelde dat het ontbreken van een aaneengesloten jaar uitstel van vertrek betekende dat de vreemdeling niet vrijgesteld was van het mvv-vereiste en dat de rechtbank ten onrechte ook perioden zonder bezwaar in haar oordeel had betrokken. De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris terecht het mvv-vereiste toepaste en dat het ontbreken van een aaneengesloten jaar uitstel van vertrek doorslaggevend was. De vreemdeling kon niet aantonen dat hij niet tot Senegal kon worden toegelaten om daar een mvv aan te vragen, het dichtstbijzijnde land met een Nederlandse vertegenwoordiging.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De staatssecretaris had voldoende gemotiveerd dat de vreemdeling niet vrijgesteld was van het mvv-vereiste en dat het uitstel van vertrek slechts een tijdelijke belemmering tot uitzetting vormde, geen feitelijke onuitzetbaarheid.
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van het mvv-vereiste bij aanvragen voor verblijfsvergunningen onder de beperking medische behandeling en benadrukt dat de vreemdeling aannemelijk moet maken dat hij niet tot het dichtstbijzijnde land met een Nederlandse vertegenwoordiging kan reizen om een mvv aan te vragen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.