ECLI:NL:RVS:2013:CA3605
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.W.M. Bijloos
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling recht op verblijf en toepassing mvv-vereiste bij gezinsleven met EU-burger
Bij besluit van 6 april 2010 wees de minister van Justitie de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep gegrond en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen. De minister stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte aannam dat het kind, Nederlandse burger, gedwongen zou worden Nederland te verlaten indien de vreemdeling terugkeert naar Uganda. De vreemdeling had niet aannemelijk gemaakt dat de vader van het kind niet in staat is voor het kind te zorgen. De Afdeling stelde dat het mvv-vereiste terecht werd toegepast en dat de hardheidsclausule niet van toepassing was.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.