ECLI:NL:RVS:2013:CA3618
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in vreemdelingenbewaring onrechtmatig gesteld wegens ontbreken belangenafweging
De vreemdeling werd op 24 april 2013 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze bewaring ongegrond, ondanks dat voorafgaand geen contact was geweest met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zoals vereist volgens de Vreemdelingencirculaire 2000. De vreemdeling stelde hoger beroep in en verzocht tevens om schadevergoeding.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het dossier onvoldoende blijk gaf van een concrete belangenafweging, zoals vereist volgens paragraaf A6/6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000. De enkele vermelding van contact met de Koninklijke Marechaussee en de constatering van voldoende bewaringsgronden volstond niet. De staatssecretaris had niet duidelijk gemotiveerd waarom ondanks de asielwens van de vreemdeling tot bewaring werd overgegaan.
De Raad van State vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, en bepaalde dat de vrijheidsontnemende maatregel per direct wordt opgeheven. Tevens werd aan de vreemdeling een schadevergoeding toegekend voor de periode van bewaring en werden proceskosten aan de zijde van de vreemdeling vergoed.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens het ontbreken van een concrete belangenafweging en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend.