ECLI:NL:RVS:2014:112
Raad van State
- Hoger beroep
- J.E.M. Polak
- Y.E.M.A. Timmerman-Buck
- R. Uylenburg
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit ontheffing Flora- en faunawet wegens onvoldoende onderbouwing dwingende reden openbaar belang
De staatssecretaris van Economische Zaken verleende bij besluit van 21 april 2011 ontheffing van de verbodsbepalingen van artikel 11 van Pro de Flora- en faunawet voor enkele beschermde diersoorten in het kader van het project Heropening Polderhoofdkanaal. De aanvraag voor ontheffing voor andere soorten werd afgewezen. De rechtbank vernietigde het besluit van 31 oktober 2011 en herroept het besluit van 21 april 2011 wegens onvoldoende onderbouwing van de dwingende reden van groot openbaar belang, met name het werkgelegenheidsbelang.
De staatssecretaris nam op 5 april 2013 een nieuw besluit waarin ontheffing werd verleend, ook voor de eerder afgewezen soorten, mits met maatregelen gewerkt werd die de gunstige staat van instandhouding waarborgen. De Raad van State oordeelt dat het werkgelegenheidsbelang overtuigend moet worden aangetoond en dat de onderliggende rapporten onvoldoende inzicht boden in de onderzoeksgegevens. Na nadere stukken en heropening van het onderzoek concludeert de Afdeling dat het project een werkgelegenheidstoename van circa 76 FTE oplevert, wat het belang overtuigend maakt.
De Afdeling bevestigt dat de verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen van de kleine modderkruiper en groene glazenmaker onvermijdelijk is en dat ontheffing daarvoor noodzakelijk is. De maatregelen zijn adequaat en het belang van realisering van het project weegt zwaarder dan het behoud van het leefgebied van de betrokken soorten. De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het primaire besluit werd herroepen, bevestigt de rest, vernietigt het besluit van 5 april 2013 maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit van 5 april 2013 wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; proceskosten worden toegewezen aan [wederpartijen].