ECLI:NL:RVS:2014:1204
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- K.J.M. Mortelmans
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over inburgeringsvereiste voor gezinshereniging in het buitenland
In twee zaken heeft de minister een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor vreemdelingen K en A afgewezen vanwege het niet voldoen aan het Nederlandse inburgeringsvereiste in het buitenland. De rechtbank verklaarde deze afwijzingen onrechtmatig, maar de staatssecretaris stelde hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelt het hoger beroep en heeft het onderzoek heropend om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
De kern van het geschil betreft de vraag of het Nederlandse inburgeringsvereiste, dat inhoudt dat gezinsleden van gezinsherenigers in het buitenland een inburgeringsexamen op niveau A1 moeten afleggen en kennis moeten hebben van de Nederlandse samenleving, verenigbaar is met richtlijn 2003/86/EG inzake gezinshereniging. Tevens wordt gevraagd of de kosten van het examen en het voorbereidingspakket proportioneel zijn.
De Afdeling overweegt dat het bevorderen van integratie een gerechtvaardigd doel is en dat het stellen van integratievoorwaarden in principe mogelijk is, maar dat onduidelijkheid bestaat over de reikwijdte van deze voorwaarden en de ruimte die lidstaten hebben. Daarom worden prejudiciële vragen gesteld over de interpretatie van artikel 7, tweede lid, van de richtlijn en de toepassing van de hardheidsclausule en de kosten.
De behandeling van de hoger beroepen wordt geschorst totdat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan. De Afdeling benadrukt dat het Nederlandse inburgeringsstelsel gericht is op het vergroten van zelfredzaamheid en het bevorderen van integratie, maar dat de proportionaliteit en individuele omstandigheden zorgvuldig moeten worden meegewogen.
Uitkomst: Behandeling van hoger beroepen geschorst en prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over het inburgeringsvereiste.