ECLI:NL:RVS:2014:1264
Raad van State
- Hoger beroep
- Th.G. Drupsteen
- D.J.C. van den Broek
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens verjaring invordering dwangsommen
Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland legde Abengoa Bioenergy Netherlands B.V. dwangsommen op wegens niet-naleving van een last uit november 2011. Het college besloot tot invordering van in totaal €50.000,- aan dwangsommen die op diverse data in januari en februari 2012 zouden zijn verbeurd. Abengoa maakte bezwaar tegen deze invordering. Het college verklaarde het bezwaar deels gegrond en deels ongegrond. De rechtbank vernietigde het besluit voor zover het dwangsommen betrof die op 17 en 24 februari 2012 waren verbeurd.
Abengoa stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het hoger beroep en oordeelde dat de bevoegdheid tot invordering van de dwangsommen die op 21 en 22 januari 2012 waren verbeurd, inmiddels was verjaard op grond van artikel 5:35 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het college had geen stuitingshandelingen verricht binnen de verjaringstermijn. Hierdoor was het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat Abengoa geen belang meer had bij een inhoudelijke beoordeling.
Het college stelde dat de rechtbank het beroep van Abengoa niet-ontvankelijk had moeten verklaren en dat de uitspraak vernietigd moest worden. De Afdeling oordeelde dat vernietiging niet mogelijk was omdat het hoger beroep van Abengoa zelf niet-ontvankelijk was en het college zelf geen hoger beroep had ingesteld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het hoger beroep werd derhalve niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van Abengoa wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van de bevoegdheid tot invordering van dwangsommen.