ECLI:NL:RVS:2014:13
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat feitelijke gezinsband vreemdelingen met referent niet aannemelijk is
De minister van Buitenlandse Zaken wees op 9 juni 2011 de machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor vier vreemdelingen af. De vreemdelingen, die familie zijn van een referent met een verblijfsvergunning asiel, stelden dat zij een feitelijke gezinsband hadden met deze referent. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, waarna de minister hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris de vreemdelingen niet in de gelegenheid had gesteld hun zienswijze te geven, aangezien dit in de bezwaarfase alsnog was gebeurd. Tevens stelde de Raad vast dat de staatssecretaris terecht van de vreemdelingen verlangde dat zij aannemelijk maakten dat zij feitelijk tot het gezin van de referent behoorden, ook voor biologische kinderen.
De Raad concludeerde dat de tegenstrijdigheden in verklaringen niet voldoende verklaard waren door de vreemdelingen en dat de staatssecretaris in redelijkheid kon oordelen dat de feitelijke gezinsband niet was aangetoond. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen tegen de afwijzing van hun mvv-aanvragen wordt ongegrond verklaard.