ECLI:NL:RVS:2014:1379
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- Th.G. Drupsteen
- E. Helder
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vergunning voor lozing restfractie zandwinning in oppervlaktewater Millingerwaard
De minister verleende op 3 september 2013 een vergunning aan Boskalis voor het lozen van afvalwater afkomstig van zandwinning in de Millingerwaard in het oppervlaktewaterlichaam Waal. Boskalis stelde dat voor het terugbrengen van de restfractie geen vergunning nodig was omdat het geen afvalstoffen betrof of dat een vrijstelling gold op grond van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk). De minister betoogde dat de restfractie afvalstoffen zijn die niet als baggerspecie kunnen worden aangemerkt en waarvoor geen vrijstelling geldt.
De Raad van State oordeelde dat de restfractie afvalstoffen zijn waarvan Boskalis zich ontdoet door deze terug te brengen in de omputlocatie. De restfractie voldoet aan de definitie van baggerspecie volgens het Bbk omdat de samenstelling en structuur overeenkomen met die van natuurlijke bodem. De toepassing van deze baggerspecie in de omputlocatie is een nuttige toepassing in de zin van de Wet milieubeheer, omdat het een functioneel doel dient en andere materialen vervangt.
Daarom is het brengen van de restfractie in de omputlocatie niet verboden en is geen vergunning krachtens de Waterwet vereist. De vergunning voor het lozen van de restfractie is daarom vernietigd. Het beroep van de erven van appellant sub 2 werd niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen rechtstreeks belang bij het besluit hadden. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan Boskalis.
De uitspraak bevestigt de toepassing van milieurechtelijke definities en regels omtrent afvalstoffen, baggerspecie en nuttige toepassing binnen vergunningverlening onder de Waterwet en het Besluit bodemkwaliteit.
Uitkomst: Het beroep van Boskalis is gegrond verklaard en de vergunning voor het brengen van restfractie in de omputlocatie is vernietigd.