ECLI:NL:RVS:2014:1537
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering DHW-vergunning en speelautomatenvergunning wegens slecht levensgedrag
Appellant verzocht om een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet (DHW) en een speelautomatenvergunning, welke beide door het college van burgemeester en wethouders van Groningen werden geweigerd. De weigering was gebaseerd op het feit dat appellant niet voldeed aan de eis van goed levensgedrag, zoals vereist in artikel 8 van Pro de DHW.
De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat het college onzorgvuldig had gehandeld door niet alle referenten te raadplegen en dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden omdat andere horecaondernemers met een strafblad wel vergunningen hadden gekregen.
De Raad van State oordeelde dat het college zich op redelijke gronden kon baseren op justitiële documentatie en politiegegevens, waaronder eerdere veroordelingen van appellant in Nederland, Oostenrijk en Duitsland. Het college hoefde geen contact op te nemen met referenten, aangezien deze informatie niet afdeed aan de strafrechtelijke gegevens.
Het gelijkheidsbeginsel werd niet geschonden omdat de andere gevallen niet vergelijkbaar waren; die aanvragers hadden geen strafblad ten tijde van hun vergunningverlening. De Raad van State bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de DHW-vergunning en speelautomatenvergunning wegens onvoldoende goed levensgedrag van appellant.