ECLI:NL:RBOVE:2016:5190
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering drank- en horecavergunning wegens slecht levensgedrag en antecedenten
Eiser heeft bij verweerder een aanvraag ingediend voor een drank- en horecavergunning voor een horecagelegenheid in Hengelo. Verweerder heeft deze vergunning geweigerd op grond van artikel 8, eerste lid, onder b, van de Drank- en Horecawet (DHW), omdat eiser niet kan worden aangemerkt als iemand die niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Dit besluit is gebaseerd op strafrechtelijke en fiscaalrechtelijke antecedenten die uit het advies van het Regionale Informatie en Expertisecentrum Oost Nederland (RIEC-ON) naar voren kwamen.
Eiser voerde aan dat zijn jongste veroordeling uit 2011 vanwege tijdsverloop niet meer tegen hem kan worden gebruikt en dat er geen bewijs is voor fiscaalrechtelijke antecedenten. Ook stelde hij dat hij aantoonbare leidinggevende capaciteiten bezit en beriep zich op het gelijkheidsbeginsel omdat anderen met vergelijkbare antecedenten wel vergunningen kregen. De rechtbank oordeelde dat het tijdsverloop niet uitsluit dat de antecedenten worden meegewogen bij de beoordeling van slecht levensgedrag en dat de strafrechtelijke antecedenten, waaronder geweldsdelicten en drugsdelicten, niet passen bij een leidinggevende in de horeca.
Ten aanzien van de fiscale antecedenten stelde de rechtbank vast dat eiser werkzaamheden verrichtte voor familie en een autohandelaar zonder deze aan de belastingdienst te melden, wat wel als op geld waardeerbare prestaties worden aangemerkt. De rechtbank vond dat verweerder deze fiscale feiten terecht heeft betrokken bij zijn beslissing. De leidinggevende ervaring van eiser bij McDonald's werd niet als vergelijkbaar beschouwd met de vereiste capaciteiten voor een horecaleidinggevende. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd als te laat en niet ontvankelijk beoordeeld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de drank- en horecavergunning is ongegrond verklaard vanwege onvoldoende bewijs van goed zedelijk gedrag.