ECLI:NL:RVS:2014:1603
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding wegens zicht op uitzetting naar Oezbekistan
De vreemdeling is op 1 februari 2014 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen dit besluit heeft hij beroep ingesteld bij de rechtbank, die op 21 februari 2014 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of er zicht was op uitzetting naar Oezbekistan binnen een redelijke termijn, zoals vereist op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling voerde aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat dit zicht niet ontbrak, mede omdat de medewerking van de Oezbeekse autoriteiten aan het verkrijgen van benodigde documenten onzeker was.
De Raad van State overwoog dat hoewel de omstandigheden die de rechtbank aanvoerde niet automatisch tot het oordeel leiden dat zicht op uitzetting bestaat, de verstrekte gegevens van de staatssecretaris aantoonden dat er inderdaad laissez passers worden afgegeven door de Oezbeekse autoriteiten en dat verwijderingen naar Oezbekistan plaatsvinden. Hierdoor was het oordeel van de rechtbank, zij het om andere redenen, juist.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak dat zicht op uitzetting bestaat en wijst het verzoek om schadevergoeding af.