ECLI:NL:RVS:2014:1695
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vreemdelingenbewaring wegens medische detentieongeschiktheid
De vreemdeling werd op 22 januari 2014 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring op 11 februari 2014 ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De vreemdeling voerde aan dat de staatssecretaris had moeten onderzoeken of hij detentieongeschikt was, mede op basis van brieven van de GGZ-instelling Altrecht. De rechtbank vond de medische informatie niet eenduidig genoeg om de bewaring op te heffen, maar gaf wel opdracht tot nader onderzoek.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris naliet het verzoek tot onderzoek naar detentieongeschiktheid serieus te nemen en geen nieuwe belangenafweging maakte, waardoor de bewaring vanaf 31 januari 2014 onrechtmatig was. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en een schadevergoeding toegekend over de periode van 31 januari tot 5 maart 2014, toen de bewaring werd opgeheven.
Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten die de vreemdeling maakte voor rechtsbijstand. De vrijheidsontnemende maatregel was inmiddels opgeheven, zodat een bevel tot opheffing achterwege bleef.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend wegens onrechtmatige vreemdelingenbewaring.