ECLI:NL:RVS:2014:177
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat minister terecht asielaanvragen vreemdelingen afwees op grond van Dublinverordening
Bij besluiten van 22 augustus 2012 heeft de minister de aanvragen van vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De voorzieningenrechter had deze besluiten vernietigd en de minister opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van zijn overwegingen.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad voor de Rechtspraak overwoog dat op grond van artikel 3, tweede lid, en artikel 15 van Pro de Dublinverordening Nederland slechts in uitzonderlijke gevallen een asielverzoek mag behandelen als een andere lidstaat, hier België, daarvoor verantwoordelijk is. Het beleid van de staatssecretaris sluit aan bij deze bepalingen en houdt onder meer in dat Nederland het verzoek alleen aan zich trekt indien in de andere lidstaat nog geen beslissing is genomen.
De Raad oordeelde dat de minister in redelijkheid tot dit beleid heeft kunnen komen en dat de omstandigheden van de vreemdelingen geen aanleiding geven tot afwijking. De Raad verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde de beroepen van de vreemdelingen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen van de vreemdelingen worden ongegrond verklaard en de afwijzende besluiten van de minister worden bekrachtigd.