ECLI:NL:RVS:2014:1853
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en afwijzing beroep vreemdeling op verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel op 5 oktober 2012 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris om een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat de staatssecretaris deugdelijk had gemotiveerd dat in de provincie Nineveh, en met name in Mosul, geen uitzonderlijke situatie bestond die bescherming op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtvaardigt.
De Afdeling verwees naar een eerdere uitspraak waarin eveneens was geoordeeld dat geen uitzonderlijke situatie in Irak bestond. De stukken die de vreemdeling had ingediend boden geen grond voor een ander oordeel. Omdat de overige beroepsgronden door de rechtbank waren verworpen en de vreemdeling hiertegen niet in hoger beroep was gekomen, verklaarde de Afdeling het beroep alsnog ongegrond.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees het beroep van de vreemdeling af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.