ECLI:NL:RVS:2014:1932
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen subsidievaststelling voor voorziening Persoonlijk Budget Levensfase
Stichting MEE 's-Hertogenbosch stelde beroep in tegen het besluit van het College voor zorgverzekeringen (CVZ) waarin de subsidie voor 2011 werd vastgesteld. Het geschil betrof de subsidiabiliteit van dotaties aan de voorziening Persoonlijk Budget Levensfase (PBL), waarbij het CVZ een deel van de dotatie aftrok omdat deze betrekking had op toekomstige, nog niet opgebouwde PBL-uren.
De stichting voerde aan dat de dotaties aan de voorziening PBL subsidiabel zijn op grond van de Regeling subsidies AWBZ en het Burgerlijk Wetboek, mede omdat op basis van de CAO Gehandicaptenzorg een voorziening moest worden getroffen voor zowel opgebouwde als op te bouwen PBL-uren. Het CVZ stelde daartegenover dat alleen werkelijke lasten subsidiabel zijn en dat toekomstige PBL-uren onzeker zijn en daarom niet subsidiabel.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het CVZ terecht heeft geoordeeld dat dotaties voor toekomstige PBL-uren niet subsidiabel zijn omdat deze niet als werkelijke lasten kunnen worden aangemerkt en het vormen van een voorziening daarvoor niet doelmatig is. Ook het beroep op het verbod van willekeur en het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel faalde, omdat in eerdere jaren alleen dotaties voor daadwerkelijk opgebouwde uren werden meegenomen.
De Afdeling verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van Stichting MEE tegen het subsidievaststellingsbesluit 2011 is ongegrond verklaard.