Uitspraak
200702262/1), de onderhavige subsidies niet worden vastgesteld op basis van de jaarrekening van de gesubsidieerde instelling, maar op basis van de werkelijk gemaakte subsidiabele kosten. Dat de Stichting, naar zij stelt, op grond van het jaarrekeningrecht verplicht is voorzieningen voor sociaal beleid en scholing te vormen, wat daar verder ook van zij, is derhalve niet van doorslaggevend belang voor de vaststelling van de subsidie.
200805544/1/H2) artikel 1.8.7, derde lid, van de Regeling, gelezen in samenhang met artikel 374 van Pro Boek 2 van het BW, de algemene mogelijkheid biedt aan subsidieontvangers om toevoegingen aan voorzieningen te plegen voor zover de voorzieningen samenhangen met gesubsidieerde activiteiten, zijn in de afzonderlijke paragrafen van hoofdstuk II van de Regeling betreffende subsidies ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten op die algemene mogelijkheid beperkingen aangebracht. Een dergelijke beperking vormt artikel 2.4.4.10, eerste lid, van de Regeling, waarin de artikelen 1.2.2 en 1.8.7. niet van toepassing worden verklaard op subsidiëring van zogenoemde MEE-organisaties. In de toelichting op die bepaling is vermeld dat de hoogte van de instellingssubsidie wordt bepaald overeenkomstig de vast te stellen beleidsregels 'productie MEE-organisatie' en 'MEE-organisatiekosten'. Ter beantwoording ligt thans voor de vraag of de Regeling en de daarop gebaseerde, door het college vastgestelde, beleidsregels een basis vormen voor de subsidiëring van toevoegingen aan de voorzieningen sociaal beleid en scholing. Artikel 2.4.4.1, derde lid, van de Regeling geeft blijkens de toelichting daarop een limitatieve opsomming van de taken van de MEE-organisatie. Deze taken komen voor subsidiëring in aanmerking. In 2004 gold ingevolge artikel 2.4.4.10, tweede lid, van de Regeling dat toevoegingen aan voorzieningen niet gerekend werden tot de lasten van de door de MEE-organisaties in het kader van de cliëntondersteuning uit te voeren taken, als hiervoor bedoeld. Dat betekent dat in 2004 op grond van de Regeling geen enkele toevoeging aan een voorziening voor subsidiëring in aanmerking kwam. Halverwege 2004 bleek echter, naar het college ter zitting uiteen heeft gezet, dat er bij de MEE-organisaties behoefte bestond om voorzieningen te vormen voor in enig jaar uit te keren vakantietoeslagen en de financiering van een spaar/verlofovereenkomst ten behoeve van de opbouw van een doorbetaald langdurig verlof in een toekomstig jaar. Daarom is in paragraaf 7.4, van de toen geldende Beleidsregel MEE-organisatiekosten, opgenomen dat die voorzieningen met subsidiegelden mochten worden gevormd. De voorzieningen sociaal beleid en scholing, die door de Stichting met subsidiebedragen zijn gevormd, zijn in deze limitatieve opsomming niet opgenomen, zodat, nog daargelaten of de Regeling de subsidiëring van toevoegingen aan voorzieningen überhaupt toeliet, ook de beleidsregel die mogelijkheid niet bood. Met ingang van 1 januari 2005 is artikel 2.4.4.10, tweede lid, van de Regeling gewijzigd, met dien verstande dat voorzieningen mochten worden gevormd met subsidiegelden, mits dat in overeenstemming was met de door het college vast te stellen beleidsregel. In paragraaf 3.4 van de Beleidsregel MEE-organisatiekosten, zoals die gold in 2005, was bepaald dat, naast de in de in 2004 geldende beleidsregel reeds opgenomen voorzieningen, ook voorzieningen voor kosten van geschillen zoals omschreven in paragraaf 4 en voorzieningen voor loonkosten ingevolge ziekte en arbeidsongeschiktheid waarvoor de MEE-organisatie niet verzekerd is, met subsidiegelden mochten worden gevormd. Ook deze beleidsregel voorziet derhalve niet in de vorming van voorzieningen voor sociaal beleid en scholing met subsidiegelden.
200805262/1/M2, blijft de duur van de primaire besluitvormingsprocedure buiten beschouwing bij de beoordeling of zich een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM voordoet. De Afdeling heeft in die uitspraak voorts overwogen dat in een zaak als deze, die uit een bezwaarschriftprocedure en één rechterlijke instantie bestaat, in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste drie jaar redelijk is. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar bedragen, waarbij de in 2.7.1 vermelde criteria onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.