ECLI:NL:RVS:2014:1936
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen subsidievaststelling voor voorziening Persoonlijk Budget Levensfase
Stichting MEE Zeeland maakte bezwaar tegen het besluit van het College voor zorgverzekeringen (CVZ) om de subsidie voor 2011 vast te stellen waarbij een deel van de dotatie aan de voorziening Persoonlijk Budget Levensfase (PBL) van het exploitatiesaldo werd afgetrokken. Het CVZ stelde dat alleen de dotatie voor daadwerkelijk opgebouwde en niet opgenomen PBL-uren subsidiabel is, niet voor toekomstige verplichtingen.
De stichting voerde aan dat de Regeling subsidies AWBZ het vormen van een voorziening PBL expliciet toestaat en dat op grond van de CAO Gehandicaptenzorg en het jaarrekeningenrecht ook toekomstige PBL-uren subsidiabel zouden moeten zijn. De Raad van State oordeelde dat alleen werkelijke lasten subsidiabel zijn en dat toekomstige PBL-uren afhankelijk zijn van onzekere factoren, waardoor deze niet als waarschijnlijk of vaststaand kunnen worden aangemerkt.
Daarnaast faalde het betoog dat het CVZ in strijd met het verbod van willekeur en het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel zou handelen. Het verschil in behandeling tussen 2009/2010 en 2011 werd verklaard door het feit dat in 2011 ook toekomstige verplichtingen werden meegenomen, wat niet subsidiabel is.
De Raad van State verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van Stichting MEE Zeeland tegen het subsidievaststellingsbesluit voor 2011 wordt ongegrond verklaard.