ECLI:NL:RVS:2014:1946
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen subsidievaststelling CVZ inzake dotatie voorziening PBL
De Stichting MEE Zuid-Limburg stelde beroep in tegen het besluit van het College voor zorgverzekeringen (CVZ) waarin de subsidie voor 2011 werd vastgesteld. Het geschil betrof de subsidiabiliteit van de dotatie aan de voorziening Persoonlijk Budget Levensfase (PBL). Het CVZ had de dotatie aan deze voorziening slechts subsidiabel geacht voor zover deze betrekking had op daadwerkelijk opgebouwde PBL-uren in 2011, en niet voor toekomstige op te bouwen uren.
De stichting voerde aan dat de dotatie aan de voorziening PBL volledig subsidiabel moest zijn, omdat de CAO Gehandicaptenzorg verplicht tot het vormen van een voorziening voor zowel opgebouwde als op te bouwen PBL-uren en deze kosten als waarschijnlijk of vaststaand moesten worden aangemerkt. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog echter dat alleen daadwerkelijk gemaakte en doelmatige lasten subsidiabel zijn. Kosten voor nog niet opgebouwde PBL-uren zijn onzeker en niet doelmatig, en kunnen daarom niet voor subsidie in aanmerking komen.
Verder verwierp de Afdeling het beroep dat het CVZ in strijd zou handelen met het verbod van willekeur en het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, omdat de subsidievaststelling in 2009 en 2010 anders was dan in 2011. Het CVZ had in die jaren terecht de dotatie alleen toegerekend aan daadwerkelijk opgebouwde PBL-uren. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van Stichting MEE Zuid-Limburg tegen het subsidiebesluit van het CVZ inzake de dotatie aan de voorziening PBL wordt ongegrond verklaard.