ECLI:NL:RVS:2014:1953
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening voorschotten kinderopvangtoeslag op nihil wegens ontbreken betalingsbewijs
Bij afzonderlijke besluiten heeft de Belastingdienst de voorschotten kinderopvangtoeslag voor de jaren 2008 en 2009 van appellant herzien op nihil. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat zij wel kosten had betaald en dat de Belastingdienst het evenredigheidsbeginsel had geschonden door het voorschot volledig op nihil te stellen. De Raad van State overwoog dat op grond van artikel 18 Awir Pro en artikel 7 Wko Pro de ontvanger van kinderopvangtoeslag moet aantonen dat zij kosten heeft betaald. De door appellant overgelegde stukken toonden geen overeenstemming tussen de daadwerkelijk betaalde kosten en de kosten volgens de schriftelijke overeenkomst, waardoor niet kon worden aangenomen dat de opvang op basis van een geldige overeenkomst had plaatsgevonden.
Verder oordeelde de Raad dat het horen van appellant in bezwaar kon worden achterwege gelaten omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de voorschotten kinderopvangtoeslag terecht op nihil zijn gesteld wegens het ontbreken van bewijs van betaling.