ECLI:NL:RVS:2014:201
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid inreisverbod en vernietiging eerdere uitspraak rechtbank
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het inreisverbod tegen de vreemdeling vernietigde. Het inreisverbod was uitgevaardigd bij besluit van 27 juli 2012 door de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel. De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit in het bestreden besluit ten overvloede was genomen en dat het inreisverbod onterecht was gebaseerd op artikel 66a, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat het inreisverbod wel rechtsgevolgen heeft, omdat de vreemdeling een vertrektermijn van vier weken is gegund om Nederland zelfstandig te verlaten. Dit betekent dat het inreisverbod terecht is gebaseerd op artikel 66a, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De Afdeling wijst het beroep van de vreemdeling af, ook omdat het verweer dat de combinatie van vertrektermijn en strafrechtelijke gevolgen niet is toegestaan, niet slaagt.
Verder oordeelt de Afdeling dat het besluit voldoende zorgvuldig is voorbereid, ondanks dat de wettelijke grondslag in het besluit is gewijzigd. De vreemdeling had de mogelijkheid om persoonlijke omstandigheden aan te voeren, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. De Afdeling verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover het het inreisverbod betreft en verklaart het beroep van de vreemdeling tegen het inreisverbod ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd.