ECLI:NL:RVS:2014:2241
Raad van State
- Hoger beroep
- R. van der Spoel
- C.M. Woestenburg-Bertels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing naturalisatieverzoek wegens bedenkingen tegen verblijf en onvoldoende verblijfsduur
Appellante verzocht om verlening van het Nederlanderschap, maar haar verzoek werd door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties afgewezen op grond van artikel 8 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De staatssecretaris verklaarde het bezwaar ongegrond en de rechtbank bevestigde dit oordeel. Appellante stelde dat zij onterecht niet was geadviseerd het verzoek niet in te dienen en dat de staatssecretaris onredelijk had gehandeld door niet te wachten met besluitvorming totdat haar verblijfsrechtelijke status definitief was vastgesteld.
De Afdeling overwoog dat de staatssecretaris pas op 28 december 2011 aanwijzingen had dat de verblijfsvergunningen van appellante zouden worden ingetrokken, en dat het verblijf op grond van de verleende vergunning niet als tijdelijk kon worden aangemerkt. De rechtbank had terecht geoordeeld dat geen reden bestond om de beslissing op bezwaar aan te houden totdat de vreemdelingenrechtelijke procedure was afgerond. Het enkele feit van intrekking van de verblijfsvergunning leidt tot bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd.
Het beroep van appellante faalt ook waar zij stelt dat de staatssecretaris in strijd met het verbod van willekeur heeft gehandeld en dat het innen van leges onredelijk was. De Afdeling bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek wordt bevestigd.