ECLI:NL:RVS:2006:AV6276
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot verlening Nederlanderschap wegens bedenkingen verblijf
Appellant verzocht om verlening van het Nederlanderschap, maar dit verzoek werd door de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie op 2 juni 2003 afgewezen. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 23 februari 2004 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing eveneens ongegrond op 23 augustus 2005.
Appellant stelde in hoger beroep dat de minister ten onrechte kon aannemen dat tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd bedenkingen bestonden, mede omdat hij meende dat hij alsnog een verblijfsvergunning met een niet-tijdelijk karakter zou verkrijgen. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het ontbreken van een verblijfsvergunning met een niet-tijdelijk karakter inderdaad bedenkingen tegen het verblijf rechtvaardigt, en dat het feit dat appellant later alsnog een dergelijke vergunning verkreeg, dit niet anders maakt.
Verder stelde appellant dat de minister zijn belangen had geschaad door niet te wachten met beslissen op zijn bezwaar totdat in de vreemdelingenrechtelijke procedure een beslissing zou zijn genomen. Dit betoog werd verworpen omdat appellant deze stelling onvoldoende onderbouwde en de minister aannemelijk maakte dat dit onwaarschijnlijk was.
De Raad van State concludeerde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat tegen het verblijf van appellant voor onbepaalde tijd bedenkingen bestonden en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De afwijzing van het verzoek om het Nederlanderschap wordt bevestigd vanwege bedenkingen tegen het verblijf van appellant voor onbepaalde tijd.