ECLI:NL:RVS:2014:2288
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling loopt geen reëel risico op schending artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Sri Lanka
De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel wees op 8 juli 2012 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel af. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De rechtbank oordeelde dat de vreemdeling geloofwaardig had gemaakt dat hij in Sri Lanka marginale activiteiten voor de LTTE had verricht, gewond was geraakt, geïnterneerd was geweest en een broer had die gedetineerd was vanwege LTTE-activiteiten. De rechtbank vond dat de vreemdeling aannemelijk had gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico liep op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro.
De Raad van State stelde vast dat de veiligheidssituatie voor Tamils die terugkeren naar Sri Lanka niet is verslechterd sinds eerdere jurisprudentie en dat de Sri Lankaanse autoriteiten in staat zijn onderscheid te maken tussen activisten en gewone remigranten. De vreemdeling had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij als activist een risico vormt of dat hij bij terugkeer in negatieve belangstelling zal staan.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond en het beroep van de vreemdeling ongegrond, en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning gehandhaafd.