ECLI:NL:RVS:2014:2320
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Kreveld
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens niet-naleving bewaarplicht arbeids- en rusttijden wegvervoer
De minister legde appellante een boete van €44.000 op wegens het niet deugdelijk bewaren van registratiebladen van arbeids- en rusttijden over de periode van 28 februari tot en met 27 maart 2011, in strijd met de Arbeidstijdenwet en Europese verordeningen.
Appellante voerde aan dat zij in haar verdediging was geschaad omdat het voornemen tot boeteoplegging pas na het verstrijken van de wettelijke bewaartermijn bekend werd gemaakt. De Raad van State oordeelde dat appellante reeds op 29 november 2011 op de hoogte was gesteld, toen de bewaartermijn nog niet was verstreken, en dat dit voor haar risico bleef.
Verder stelde appellante dat de minister in strijd met het gelijkheidsbeginsel had gehandeld door in eerdere vergelijkbare zaken geen boete op te leggen wegens verstrijken bewaartermijn. De Raad oordeelde dat die zaken niet vergelijkbaar waren omdat daar het boetevoornemen was gebaseerd op slecht leesbare kopieën, wat hier niet het geval was.
Ook het betoog dat niet vaststond dat de werkzaamheden daadwerkelijk hadden plaatsgevonden faalde, omdat de urenverantwoordingsstaten in de onderneming waren aangetroffen en konden worden gekoppeld aan werknemers. Tenslotte werd het beroep op een interne handleiding die een lagere boete voorschreef verworpen omdat deze niet was geaccordeerd of gepubliceerd en geen fraude in de zin van die handleiding aan de orde was.
De Raad van State verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Den Haag.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €44.000 wegens overtreding van de bewaarplicht arbeids- en rusttijden.