Uitspraak
Datum uitspraak: 9 september 2020
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
griffier
Raad van State
Appellante, een transport- en opslagbedrijf, kreeg een bestuurlijke boete van € 61.500 opgelegd wegens het niet deugdelijk registreren van arbeids- en rusttijden van chauffeurs, in strijd met artikel 4:3 van Pro de Arbeidstijdenwet (Atw).
De Inspectie Leefomgeving en Transport constateerde tijdens een inspectie in 2015 dat digitale data van bestuurderskaarten (C-bestanden) en tachograafdata (M-bestanden) ontbraken, waardoor controle op naleving niet mogelijk was. De minister baseerde de boete op 64 overtredingen, terwijl het oorspronkelijke boeterapport 98 overtredingen vermeldde.
De rechtbank had de boete vastgesteld op € 59.000, maar appellante stelde dat de minister onterecht de Beleidsregel 2016 toepaste, terwijl de overtredingen uit 2014 stammen en de Beleidsregel 2014 van toepassing was, die een lagere boete voorschrijft. Tevens werd betoogd dat het ne bis in idem-beginsel werd geschonden door dubbele aanrekening van overtredingen voor twee chauffeurs op hetzelfde voertuig.
De Afdeling oordeelt dat de minister op onjuiste gronden tot boeteoplegging is gekomen, onvoldoende inzicht gaf in de selectie van overtredingen en de toepasselijkheid van beleidsregels. Hierdoor kan de boeteoplegging niet in stand blijven. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het boetebesluit vernietigd en appellante hoeft geen boete te betalen. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het boetebesluit wordt vernietigd en appellante hoeft geen boete te betalen.