ECLI:NL:RVS:2014:2355
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling legesheffing mvv-aanvraag in overeenstemming met EU-recht
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het besluit van 30 november 2012 vernietigde, waarin het bezwaar van een vreemdeling tegen het legestarief voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) deels werd afgewezen.
De staatssecretaris stelde dat het legestarief van €225 in overeenstemming is met Richtlijn 2003/86/EG over gezinshereniging en dat lidstaten beoordelingsvrijheid hebben bij het vaststellen van legesbedragen. De rechtbank had echter geoordeeld dat het legestarief een belemmering vormt voor het gezinsleven en het nuttig effect van de richtlijn ondermijnt.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat hoewel lidstaten een beoordelingsmarge hebben, deze niet onbeperkt is en leges niet onevenredig mogen zijn. Het arrest van het Hof van Justitie inzake richtlijn 2003/109/EG is van toepassing en stelt grenzen aan leges die de uitoefening van rechten belemmeren.
De staatssecretaris heeft voldoende gemotiveerd dat het hogere legestarief voor mvv-aanvragen gerechtvaardigd is door de omvangrijkere beoordeling die vereist is, en dat het bedrag in redelijke verhouding staat tot tarieven in andere lidstaten. De grieven van de staatssecretaris slagen, het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden vonnis vernietigd, waarbij het beroep van de vreemdeling ongegrond wordt verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.