ECLI:NL:RVS:2014:2389
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en handhaving inreisverbod na ongewenstverklaring vreemdeling
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die het beroep van de vreemdeling deels gegrond verklaarde tegen een inreisverbod van tien jaar.
De minister had aanvankelijk de ongewenstverklaring van de vreemdeling gehandhaafd, waarna een nieuw besluit het inreisverbod oplegde. De rechtbank had het beroep tegen het inreisverbod gegrond verklaard vanwege onvoldoende motivering en disproportionaliteit.
De Raad van State oordeelt dat de staatssecretaris het inreisverbod wel degelijk deugdelijk heeft gemotiveerd, onder meer door de strafrechtelijke veroordelingen van de vreemdeling, en dat de belangenafweging in het licht van het EVRM correct is gemaakt. Ook is het verblijf buiten Nederland van vier jaar en vier maanden niet voldoende om het inreisverbod te verkorten.
De Raad vernietigt daarom het oordeel van de rechtbank over het inreisverbod, verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond en dat van de vreemdeling ongegrond, en bevestigt de rest van de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het inreisverbod van tien jaar tegen de vreemdeling wordt gehandhaafd en het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.