ECLI:NL:RVS:2014:2457
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid inreisverbod en niet-ontvankelijkheid asielaanvraag
De staatssecretaris heeft op 27 december 2012 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen en een inreisverbod van tien jaar uitgevaardigd. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen het inreisverbod gegrond en vernietigde dat deel van het besluit, maar wees het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag af.
Zowel de staatssecretaris als de vreemdeling stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag niet-ontvankelijk had verklaard en vernietigde de uitspraak. Vervolgens verklaarde de Afdeling het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk en het beroep tegen het inreisverbod ongegrond.
De Afdeling overwoog dat de staatssecretaris terecht het inreisverbod had uitgevaardigd ondanks de leeftijd, medische omstandigheden en mantelzorg van de vreemdeling, mede omdat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op hem van toepassing is verklaard. Ook oordeelde de Afdeling dat het inreisverbod niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro, omdat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake is van meer dan normale emotionele banden met zijn dochter.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het hoger beroep van de vreemdeling en de staatssecretaris werd gegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het inreisverbod ongegrond verklaard.