ECLI:NL:RVS:2014:2464
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen intrekking verblijfsvergunning asiel wegens inreisverbod
Bij besluit van 26 november 2013 heeft de staatssecretaris de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 27 maart 2014 ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State. Deze oordeelde dat zolang het inreisverbod voortduurt, de vreemdeling geen belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning. De rechtbank had dit niet onderkend en had het beroep ten onrechte ontvankelijk verklaard.
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover het het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning betreft en verklaart dat beroep niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De overige onderdelen van het vonnis van de rechtbank blijven in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege het geldende inreisverbod.