ECLI:NL:RVS:2014:2586
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H.G. Sevenster
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de minister voor Immigratie en Asiel op 19 mei 2011 werd afgewezen. Tegen deze afwijzing werd bezwaar gemaakt, dat op 3 februari 2012 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank, die dit beroep op 29 juni 2012 ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kern van het geschil was de toepassing van artikel 13 van Pro besluit nr. 1/80 betreffende de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, en de vraag of de vreemdeling recht had op vrijstelling van de machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de vreemdeling geen rechten kon ontlenen aan artikel 13, en dat de staatssecretaris zich onjuist had opgesteld.
De Afdeling vernietigde daarom zowel het besluit van 3 februari 2012 als de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht. Hiermee werd de vreemdeling in het gelijk gesteld en het eerdere besluit ongedaan gemaakt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd, en het beroep van de vreemdeling wordt toegewezen.