ECLI:NL:RVS:2014:2863
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit huurtoeslag wegens schending hoorplicht en bevestiging rechtsgevolgen
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen waarin de huurtoeslag over 2010 op nihil werd vastgesteld en een bedrag van €1.571,00 werd teruggevorderd. De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard. Appellant stelde dat hij ten onrechte niet was gehoord in de bezwaarprocedure, terwijl hij dit wel had gewenst.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de Belastingdienst/Toeslagen onterecht van het horen van appellant was afgezien, omdat appellant niet uitdrukkelijk had verklaard geen gebruik te willen maken van zijn hoorrecht. Dit was in strijd met artikel 7:2 Awb Pro. De Afdeling vernietigde daarom het besluit van 7 mei 2013, maar onderzocht vervolgens of de rechtsgevolgen van dat besluit in stand konden blijven.
De Afdeling bevestigde dat appellant over bepaalde periodes geen recht had op huurtoeslag, omdat hij niet in de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven of omdat voor het betreffende adres al huurtoeslag was toegekend aan een ander. Ook had appellant geen huurkosten gemaakt voor de woning waarvoor hij toeslag claimde. Daarom bleven de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
Tot slot veroordeelde de Afdeling de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 30 juli 2014.
Uitkomst: Het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.