ECLI:NL:RVS:2014:2872
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit herziening huurtoeslag wegens schending hoorplicht
De Belastingdienst/Toeslagen herzag de huurtoeslag van appellant over 2009 en vorderde een bedrag terug. Appellant maakte bezwaar tegen deze herziening, waarop de Belastingdienst afzag van het horen van appellant in de bezwaarprocedure, omdat appellant geen gebruik zou hebben gemaakt van het recht te worden gehoord. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de Belastingdienst ten onrechte niet heeft gehoord, omdat hij wel degelijk had aangegeven gehoord te willen worden.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de Belastingdienst onterecht van het horen had afgezien, omdat appellant niet had verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord. Dit was in strijd met artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Ondanks de vernietiging van het besluit bleef de Afdeling bij haar oordeel dat appellant wist of behoorde te weten dat de huurtoeslag te hoog was toegekend en dat de herziening op grond van artikel 21 Awir Pro terecht was. De rechtsgevolgen van het besluit bleven daarom in stand. De Belastingdienst werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot herziening van de huurtoeslag wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.