ECLI:NL:RVS:2014:3215
Raad van State
- Hoger beroep
- S.F.M. Wortmann
- E. Steendijk
- D.J.C. van den Broek
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van invordering dwangsommen wegens overtreding milieuvergunningvoorschriften door vetveredelingsbedrijf
Noba B.V., exploitant van een vetveredelingsbedrijf, werd door het college van gedeputeerde staten Noord-Holland geconfronteerd met dwangsombesluiten wegens overtredingen van milieuvergunningvoorschriften. Na constatering van overtredingen tijdens een controlebezoek op 10 mei 2011, werd een dwangsom van € 4.250,00 ingevorderd, later beperkt tot € 2.500,00. Noba stelde bezwaar en beroep in tegen deze invordering.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna Noba hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Noba voerde onder meer aan dat de lasten niet voldeden aan wettelijke eisen, dat de dwangsommen onterecht waren vastgesteld per overtreding en niet per tijdseenheid, en dat het invorderingsbesluit onvoldoende gemotiveerd en niet zorgvuldig tot stand was gekomen.
De Afdeling oordeelde dat de lasten duidelijk en niet onduidelijk waren geformuleerd, dat de dwangsommen terecht per overtreding per week waren vastgesteld, en dat de waarnemingen van de deskundige toezichthouders voldoende waren onderbouwd met foto’s en mondelinge toelichting. Tevens werd geoordeeld dat het advies van de Hoor- en adviescommissie adequaat was verwerkt in het bestreden besluit.
Ten aanzien van de specifieke overtredingen van de voorschriften 1.4.1, 5.1.1, 5.1.3 en 5.1.4 concludeerde de Afdeling dat de overtredingen voldoende waren vastgesteld en dat de dwangsommen terecht waren ingevorderd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De invordering van dwangsommen door het college is rechtmatig en het hoger beroep van Noba wordt ongegrond verklaard.