ECLI:NL:RVS:2014:3353
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige
De minister voor Immigratie en Asiel wees op 1 maart 2011 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. De staatssecretaris verklaarde bij besluit van 1 februari 2013 het bezwaar van de vreemdeling hiertegen opnieuw ongegrond. De rechtbank gaf de staatssecretaris de gelegenheid om een gebrek in zijn besluit te herstellen, maar na weigering verklaarde zij het beroep gegrond en vernietigde het besluit.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraken. De Raad van State oordeelde dat het advies van Agentschap NL, waarin werd geconcludeerd dat de onderneming van de vreemdeling niet levensvatbaar is, terecht aan het besluit ten grondslag lag. De vreemdeling had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn onderneming een wezenlijk Nederlands belang dient.
De Raad van State vernietigde de uitspraken van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens wees de Afdeling het verzoek tot proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van zijn verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.