ECLI:NL:RVS:2014:3497
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring voor woningaanpassing vanwege autistische zoon
Appellant vroeg om een urgentieverklaring om met voorrang woonruimte op de begane grond te verkrijgen vanwege de autistische stoornis van zijn zoon en diens interesse in hoogtes. Het college wees dit verzoek af omdat niet was aangetoond dat sprake was van een levensbedreigende of maatschappelijk onaanvaardbare situatie zoals vereist in de Huisvestingsverordening.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De medische verklaringen en andere stukken gaven geen aanleiding om te concluderen dat een woning op de begane grond de situatie wezenlijk zou verbeteren, omdat het probleem samenhangt met de autistische stoornis en niet met de woning zelf.
Ook het beroep op artikel 29 van Pro de Huisvestingsverordening, dat afwijking van regels mogelijk maakt bij onbillijkheid van overwegende aard, werd verworpen omdat de situatie van appellant reeds in de verordening is meegenomen en geen onbillijkheid van overwegende aard is vastgesteld. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.