ECLI:NL:RVS:2014:3532
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening voorschot kindgebonden budget op grond van partnerbegrip Awir
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant, waarin het beroep tegen de herziening van het voorschot kindgebonden budget over 2010 en 2011 door de Belastingdienst werd afgewezen.
De Belastingdienst had het toetsingsinkomen van [persoon] als toeslagpartner van appellante betrokken bij de berekening, omdat zij in de GBA op hetzelfde adres stonden ingeschreven en uit hun relatie een kind was geboren. Appellante voerde aan dat zij feitelijk grotendeels bij haar ouders verbleef en dat [persoon] een fiscale partner had, waardoor hij niet als toeslagpartner kon gelden.
De Raad van State oordeelde dat het partnerbegrip in de Awir een onweerlegbaar rechtsvermoeden bevat voor personen die op hetzelfde adres staan ingeschreven en een kind hebben, ongeacht feitelijke verblijfplaats. Omdat [persoon] in 2010 en 2011 geen fiscale partner had en uit hun relatie een kind is geboren, was het standpunt van de Belastingdienst correct.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.