ECLI:NL:RVS:2014:3680
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering handhaving speeltoestel zonder omgevingsvergunning
Bij besluit van 12 oktober 2010 wees het dagelijks bestuur het verzoek van appellante af om handhavend op te treden tegen het gebruik en de bouwwerkzaamheden van een speelplein in Rotterdam. Het bezwaar tegen dit besluit werd op 8 maart 2011 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde dit besluit in 2013 deels vernietigd voor zover het de weigering van handhaving betrof. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde in een tussenuitspraak dat het besluit van 8 maart 2011 niet voldeed aan artikel 7:12, eerste lid, Awb, omdat de oprichting van het speeltoestel zonder omgevingsvergunning geen overtreding van geringe aard was en geen zicht op legalisering bestond. Het college werd opgedragen het besluit te herstellen of te wijzigen.
Het college gaf aan dat het speeltoestel inmiddels was verwijderd en dat geen nieuw toestel zou worden geplaatst, waardoor geen overtreding meer bestond. De Afdeling stelde vast dat het college thans niet bevoegd is handhavend op te treden, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Verzoeken om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werden afgewezen omdat de procedure binnen redelijke termijn was verlopen.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het besluit van 8 maart 2011 voor zover het de weigering van handhaving betrof, en bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het besluit van 8 maart 2011 tot weigering van handhaving tegen het speeltoestel wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 Awb, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.