ECLI:NL:RVS:2014:3993

Raad van State

Datum uitspraak
5 november 2014
Publicatiedatum
5 november 2014
Zaaknummer
201403404/1/A4
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y.E.M.A. Timmerman-Buck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Afvalstoffenverordening 2010Art. 9 Afvalstoffenverordening 2010Art. 5:1 AWB
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen bestuursdwang wegens verkeerd aanbieden huishoudelijk afval

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft op 10 december 2013 spoedeisende bestuursdwang toegepast door een doos naast een ondergrondse restafvalcontainer te verwijderen, omdat deze in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 was aangeboden. De doos was voorzien van naam- en adresgegevens van appellante, die daarom als overtreder werd aangemerkt.

Appellante stelde dat niet zij, maar een medewerker van de thuiszorg de doos had neergezet en dat de kosten niet redelijk op haar verhaald konden worden omdat de container vol was. Ook voerde zij aan dat de gemeente niet handhavend optreedt tegen anderen die afval verkeerd aanbieden.

De Raad van State oordeelt dat het college terecht appellante als overtreder heeft aangemerkt, aangezien de doos van haar afkomstig was en het verkeerd aanbieden aan haar kan worden toegerekend. De volle container ontslaat haar niet van de verplichting het afval correct aan te bieden. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de kosten kunnen op appellante worden verhaald.

Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het kostenverhaal voor bestuursdwang wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

201403404/1/A4.
Datum uitspraak: 5 november 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend te Den Haag,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 18 december 2013 heeft het college zijn beslissing om op 10 december 2013 spoedeisende bestuursdwang jegens [appellante] toe te passen wegens het door haar in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: Afvalstoffenverordening) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat van de kosten van de toepassing van bestuursdwang een bedrag van € 126,00 voor rekening van [appellante] komt.
Bij besluit van 28 maart 2014 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2014, waar het college, vertegenwoordigd door mr. W.G.C. Wijsman, is verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening kan het college aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, is het de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, tweede lid, een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot.
2. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 10 december 2013 naast een ondergrondse restafvalcontainer (hierna: ORAC) op de Lau Mazirellaan ter hoogte van [nummer] is aangetroffen. Het college stelt zich op het standpunt dat [appellante] artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening heeft overtreden, nu op of in de doos haar naam- en adresgegevens zijn aangetroffen en zij verantwoordelijk is voor het op de juiste wijze ter inzameling aanbieden.
2.1. [appellante] betoogt dat het college haar ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Niet zij, maar een medewerker van de thuiszorg heeft de doos naast de ORAC neergezet. Voorts betoogt zij dat de kosten voor de toepassing van spoedeisende bestuursdwang niet in redelijkheid op haar mogen worden verhaald omdat de ORAC vol zat, waardoor het niet mogelijk was de doos in de ORAC te deponeren. Zij stelt dat de gemeente ervoor moet zorgen dat de ORAC tijdig wordt geleegd. Daarnaast voert zij aan dat derden ook hun huisafval verkeerd ter inzameling aanbieden, zonder dat het college hier handhavend tegen optreedt.
2.2. Ingevolge artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.
In de regel zal mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 15 oktober 2008 in zaak nr. 200707345/1, is degene die het desbetreffende wettelijke voorschrift schendt in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht; daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, doch aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt.
2.3. Vaststaat dat de doos van [appellante] afkomstig is en dat deze doos niet op juiste wijze ter inzameling is aangeboden. Dat niet [appellante] maar een medewerker van de thuiszorg de doos ter inzameling heeft aangeboden, leidt niet tot het oordeel dat het college [appellante] ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Nu de aangetroffen doos kan worden geacht in opdracht van [appellante] te zijn aangeboden, dient het verkeerd ter inzameling aanbieden daarvan aan haar te worden toegerekend. Verder doet de omstandigheid dat de ORAC vol was niet af aan de verplichting van [appellante] de doos op juiste wijze ter inzameling aan te bieden.
Gelet op het bovenstaande heeft het college terecht [appellante] als overtreder aangemerkt en heeft het in redelijkheid de kosten van de toepassing van spoedeisende bestuursdwang op haar kunnen verhalen. Dat ten aanzien van anderen niet handhavend wordt opgetreden, wat daar overigens ook van zij, doet daar niet aan af.
Het betoog faalt.
3. Het beroep is ongegrond.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.
w.g. Timmerman-Buck w.g. Van der Maesen de Sombreff
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2014
190-811.