ECLI:NL:RVS:2014:4031
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake ongewenstverklaring vreemdeling en afwijzing afgeleid verblijfsrecht
De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel verklaarde de vreemdeling in 2005 ongewenst. De vreemdeling verzocht om afgifte van een verblijfsdocument op grond van afgeleid verblijfsrecht als partner van een Nederlandse burger die in België werkte. De rechtbank verklaarde in 2011 de beroepen van de vreemdeling gegrond en vernietigde de besluiten van de minister.
De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde de behandeling aan en wachtte de prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie af. Het Hof oordeelde dat de richtlijn 2004/38/EG niet van toepassing is op burgers van de Unie die in hun eigen lidstaat verblijven, waardoor de vreemdeling geen afgeleid verblijfsrecht heeft.
De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling geen afgeleid verblijfsrecht toekomt omdat zijn partner in Nederland woont en niet in een andere lidstaat. Verder faalden de bezwaren van de vreemdeling omtrent zijn staatloosheid en het niet kunnen voldoen aan vertrekplicht. Ook de inbreuk op artikel 8 EVRM Pro werd door de Raad van State afgewezen, omdat de staatssecretaris een zorgvuldige belangenafweging had gemaakt waarbij het belang van openbare orde zwaarder woog.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde de beroepen van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de beroepen van de vreemdeling ongegrond verklaard.