ECLI:NL:RVS:2014:4115
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar Algerije
De vreemdeling werd op 9 september 2014 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel op 9 oktober 2014 ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om schadevergoeding.
De kern van het geschil betrof de vraag of het zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn ontbrak. De vreemdeling stelde dat de diplomatieke vertegenwoordiging van Algerije op 10 september 2014 weigerde een laissez passer af te geven vanwege zijn gezondheidstoestand, waardoor de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig zou zijn.
De Raad van State stelde vast dat de staatssecretaris niet aannemelijk had gemaakt dat het zicht op uitzetting ondanks de weigering niet ontbrak. Hierdoor werd de vreemdelingenbewaring met ingang van 11 september 2014 onrechtmatig. De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat de vrijheidsontnemende maatregel per direct wordt opgeheven.
Daarnaast kende de Raad van State een schadevergoeding toe aan de vreemdeling over de periode van 11 september 2014 tot de dag van opheffing. Ook werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling had gemaakt voor rechtsbijstand.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens ontbreken zicht op uitzetting en de vreemdeling ontvangt een schadevergoeding.