ECLI:NL:RVS:2014:440

Raad van State

Datum uitspraak
5 februari 2014
Publicatiedatum
12 februari 2014
Zaaknummer
201305414/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:115 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing van niet-ontvankelijk verklaard beroep in vreemdelingenzaak

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel op 10 augustus 2012 werd afgewezen. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar van de vreemdeling tegen deze afwijzing ongegrond. Vervolgens verklaarde de rechtbank Den Haag het beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk omdat het inreisverbod vaststond, waardoor volgens de rechtbank geen rechtmatig verblijf mogelijk was.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Afdeling vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling en beslissing, met inachtneming van de overwegingen in het arrest.

Daarnaast stelt de Afdeling de proceskosten in hoger beroep vast op €487,00 en gelast dat de staatssecretaris het betaalde griffierecht van €239,00 aan de vreemdeling vergoedt. De verdere vergoeding van proceskosten wordt aan de rechtbank overgelaten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank.

Uitspraak

201305414/1/V3.
Datum uitspraak: 5 februari 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 21 mei 2013 in zaak nr. 13/4042 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 10 augustus 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 23 januari 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 21 mei 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat, nu het inreisverbod vast staat, hij geen rechtmatig verblijf kan hebben.
2. Uit de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2013 in zaak nr. 201207041/1/V2 volgt dat de rechtbank het door de vreemdeling tegen de afwijzing van zijn reguliere aanvraag ingestelde beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De grief slaagt reeds daarom.
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Hetgeen overigens in hoger beroep is aangevoerd, behoeft geen bespreking. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
4. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 21 mei 2013 in zaak nr. 13/4042;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten;
V. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van staat.
w.g. Verheij w.g. Vonk
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2014
345.