ECLI:NL:RVS:2014:4488
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen spoedeisende bestuursdwang wegens onjuist aanbieden huishoudelijk afval
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft op 30 januari 2014 spoedeisende bestuursdwang toegepast door een doos met huishoudelijke afvalstoffen te verwijderen die onjuist naast een ondergrondse restafvalcontainer (ORAC) was geplaatst. Dit was in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010, die voorschrijft dat afval via de aangewezen inzamelvoorziening moet worden aangeboden.
Appellant voerde aan dat hij de doos naast de container plaatste omdat hij dacht dat de container vol was en hij slecht ter been was, en dat toezichthouders hem hadden moeten waarschuwen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college bevoegd was tot handhaving en dat het algemeen belang bij handhaving zwaarder weegt dan de omstandigheden van appellant. Het feit dat appellant slecht ter been is of dat de container mogelijk vol was, rechtvaardigt geen uitzondering op de handhaving.
Ook stelde appellant dat de kosten van de bestuursdwang niet voor zijn rekening konden komen. De Afdeling verwierp dit omdat appellant verwijtbaar handelde door de afvalstoffen onjuist aan te bieden. De Afdeling verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot spoedeisende bestuursdwang en kostenverhaal wordt ongegrond verklaard.