ECLI:NL:RVS:2014:4545
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen voor Bulgaarse werknemers
De minister legde [appellante] een boete van €32.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat Bulgaarse werknemers zonder tewerkstellingsvergunning werkzaamheden hadden verricht. De rechtbank verklaarde het beroep van [appellante] ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat Bulgaarse werknemers als vreemdelingen in de zin van de Wav gelden, ondanks hun EU-burgerschap, vanwege de geldende overgangsmaatregelen die Nederland tot 1 januari 2014 toestonden de vergunningplicht te handhaven. Het beroep van [appellante] dat deze maatregelen onrechtmatig waren en dat de boete geen wettelijke grondslag had, werd verworpen.
Verder werd geoordeeld dat de vreemdelingen niet als zelfstandigen maar als werknemers onder gezag van [appellante] werkzaam waren. Het beroep op het EVRM-ondervragingsrecht faalde omdat [appellante] onvoldoende had onderbouwd welke getuigen zij wilde ondervragen. Ook de verzoeken tot matiging van de boete werden afgewezen, omdat [appellante] onvoldoende had gedaan om de overtreding te voorkomen en de beleidsregels voor boetebepaling niet onredelijk zijn.
De Raad van State bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €32.000 wegens het laten verrichten van arbeid door Bulgaarse werknemers zonder tewerkstellingsvergunning.